Pagina's

zaterdag 23 januari 2010

Nieuwe rubriek :
Gouldjes in Fabeltjesland, deel 1 :
"Koudbroed.... en Spraakverwarring"

Er was eens...
Koudbroed...


Elk fenomeen, hoe raar ook het fenomeen op zich, heeft zijn oorsprong. De spraakverwarring met betrekking tot de koudbroed- historie vormt daar geen uitzondering op.

Terwijl er op het eigenste en zelfde moment in België en Nederland daadwerkelijk     enkele    fokkers    tijdens    het    winterseizoen systematisch  generatie na generatie   gouldamadines  kweekten  op verlaagde temperaturen tussen 10°C en 16°C, waren er in Nederland een   groepje    gouldkwekers    die    zichzelf    orakelend      als zogenaamde "koudbroedkwekers" begonnen te kwalificeren... omdat ze zomerkweek bedreven.... Bij zomers-gematigde waarden, tot hoog        oplopende        zomer temperaturen. Zelfs bij zomerse strand-      en      bikini  -  hitte, wanneer zowel Belgische als Nederlandse      stranden      vol puffende   zonnebaders   liggen. Dan   pas   verklaren   zonne- kloppende "koudbroed kwekers” zichzelf actief.      De scherpe inhoudelijke  tegenstelling  is klaar : Koud - Wanneer - Warm.

Inhoudelijke tegenstelling
Nochtans  stond  en  staat  voor  de laatstgenoemde groep fokkers "koud kweken"  dus  gelijk  aan "zomers warme kweek met  gouldamadines". Ook    al    blijven    die   zomer- temperaturen    van    een   matig gemiddelde rond de 18 à 20°C. Of zelfs   al    lopen    die  zomerse temperaturen   op   tot   tropische waarden van 30°C en meer...     Voor die zomerkwekers heette dat "koud kweken"... Op dat ogenblik rijst de vraag bij dergelijke grote, inhoudelijke tegenstelling : " Is dit nog langer consequent taalgebruik ? ".

Consequent taalgebruik is anders.
Het   allereerste    criterium    van consequent  taalgebruik   is  er  op gericht om de communicatie tussen gesprekspartners     te     verhogen. Termen lanceren  die  binnen  het desbetreffende gegeven verwarring zaaien,   valt  buiten  het  eerste criterium        van        consequent taalgebruik.   Derhalve  zegt   het gezond   verstand :  "koud  kweken" = kweken bij verlaagde omgevings- temperaturen. Die  tot nader order in West-Europa geenszins   gelijk    staan    aan courante zomerse waarden.

Koudbroed = koud kweken
Koudbroed    staat     derhalve gelijk aan het realiseren van systematische   nakweek   met gouldamadines  bij  gestuurd verlaagde      indoor      kweek- temperaturen.     Met     name vooral in broedmilieus waar de gemiddelde           omgevings- temperatuur constant minder dan 15°-16° beloopt.

Ingewijden beseffen immers ten volle dat hier op het niveau van klimatologische omgevingsdruk, voor de kweekpopulatie de grens ligt tussen doorsnee druk en verhoogde druk op de ketel. Want éénmaal onder de 16°C in een indoor kweekomgeving, wordt de snedige realiteit van bruusk en hoog oplopende hygrowaarden meteen duidelijk. Even snedig en duidelijk als de bijwijlen grote dag- en nachtverschillen in temperatuur en luchtvochtigheid zoals de gouldamadine die van origine kent in haar oorspronkelijke, Australische biotoop.

Even duidelijke gevolgen
Even    duidelijk    zijn    de onmiddellijke gevolgen voor de energiebalans  van  de hormonaal geladen vogels op het kweekhok.     Want vandaag de dag beschikken de        meeste         lijnen gedomesticeerde gouldamadines helaas niet meer   over   de  spontane lichaamsdynamiek  die  de gouldamadine binnen haar Australische wildbiotoop van oorsprong in staat stelt om grote dag-nacht-temperatuurverschillen van 20°C en meer te overbruggen. Zonder daarbij in te leveren aan efficiëntie in handhaving van de energiebalans. M.a.w., Vandaag is er de simpele vaststelling dat veruit de meeste gedomesticeerde gouldamadines vanuit hun achtergrond van bepamperde "serre-plantjes", eens ze hormonaal actief worden (in de kweek zitten), hun energie-huishouding nauwelijks of niet in balans kunnen houden bij dagelijks op en neer dansende luchtvochtigheids- waarden, in combinatie met een gedaalde omgevingswarmte. Er zijn vandaag heel wat bloedlijnen gouldamadines die het niet meer aankunnen. Er zijn daarnaast eveneens gouldamadines die het wel nog steeds aankunnen. 't Is maar zo simpel als dat.


Koudbroed samengevat

· De term "koudbroed"
is allerminst geschikt om een kweeksysteem te identificeren dat reilt en zeilt bij de gratie van zomerse temperaturen, hoe hoog die ook oplopen, of hoe matig warm die ook blijven. Van "koud" is hier geen sprake.

· Kweken tijdens de zomer,
of het nu binnenshuis is of in buitenvolières, heeft allerminst te maken met koud fokken. Maar heet vanzelfsprekend zeer passend "zomerkweek". Westerse zomers kwalificeert men tot nader order als gematigd warm, niettegenstaande de voort- schrijdende klimaatsopwarming. Van "koud" is hier geen sprake.

· Echte koudbroed of koudfok gouldamadines
zijn vogels die bewezen bekwaam genoeg zijn om zich indoor te laten kweken op winterse binnentemperaturen lager dan 16°C. Van "bepamperde serre-plantjes" is hier geen sprake. Ruim 30 jaar natuurbroed-ervaring met gouldamadines wijst uit : Deze vogels zijn zeer herkenbaar. Niet enkel zijn ze het breedst in lichaamsbouw; onder verhoogde omgevingsdruk blijken aldus gekweekte gouldamadines tegelijk het best in staat om hun energiehuishouding- bij-hormonale-activiteit langer optimaal te handhaven dan gemiddeld. 't Is maar zo simpel als dat.


Wie voor zichzelf de proef op de som wenst te nemen,
plaatst éénvoudig 10 van zijn / haar  kweekklare koppels in de boven- genoemde omstandigheden onder de 15°C. En bekijkt hoeveel koppels vanaf dan bekwaam genoeg zijn, en sterk genoeg zijn, om effectief een volgende generatie jonge gould- amadines aan te leveren, speen- en jeugdrui-fase inbegrepen. En vanzelfsprekend, zonder kunstmatige ondersteuningsmiddelen zoals constante pampering met industriële vitamines, of chemische kuurtjes met antibiotica, sulpha-chemo (bvb esb3), nitro-chemo (bvb ronidazol, emtryl), lactonen-chemo (bvb ivermectine) enz... Zonder chemo dus. Eerst dan is te zien wat sterk is, en wat niet.

Enkele tips als afsluiter : hokstrategie klimatologisch
In een vlot functionerend koudbroed-kweeksysteem gebeurt bijverwarmen steeds in functie van de evoluerende luchtvochtigheids- marges. Met prioriteit gekoppeld aan doelgericht ventileren. Op het Lievens hok met passieve ventilatie-ingangen in de zuidwand van het hok, op tenminste 3 plaatsen, optimaal gespreid over de lengte van het hok. Met daarnaast 2 actieve ventilatie-uitgangen met de meest functionele spreiding ingeplant bovenaan de noordwand van het hok. Tevens 2 passieve ventilatieroosters middenhoog op de oostwand van het hok. Bijverwarmen met een strikt plafond van maximaal 15°C overdag. Gemiddelde temperaturen overdag tijdens het kweekseizoen bewegen zich bij vaststelling doorgaans tussen 11,5°C en 14°C, afhankelijk van de communicerende weersinvloeden buiten het hok. 's Nachts mag de temperatuur in het hok dalen tot minimaal 5°C, nooit lager (op het Lievens-hok). Tegelijk mag de gekoppelde luchtvochtigheid 's nachts maximaal stijgen tot 80%-85%, nooit hoger. Vanzelfsprekend om in de loop van de daaropvolgende morgen en voormiddag wederom spontaan te dalen naar werkbare dagwaarden tussen 62% en 72% . Bij dergelijk klimatologisch gegeven zitten de gouldamadines op het Lievens-hok er niet enkel vrolijk fluitend bij. Ze doen meer. Ze zorgen enthousiast voor nakweek.

Inclusief goedaardige neveneffecten
Vogels die systematisch op deze waardeschalen gekweekt worden, ononderbroken gedurende generaties, zijn onderwerp van een spontane selectie "die wonderen verricht". Reeds na 5 generaties resulteert dit systeem -na snedige, spontane selectie- in de eerste tekenen van merkbaar sterkere koudbroed-kweekvogels. Alle vogels die op één of ander niveau zwakheid in hun constitutie meedragen, tonen zichzelf bij aanvang "een maatje te klein", want conditioneel ondermaats. En schakelen vervolgens zichzelf uit. Gouldamadines die zich spontaan handhaven om zich vervolgens te vermenigvuldigen, bewijzen zichzelf op die manier meteen capabel op alle vlakken. Met als logisch eindresultaat bekwame vogels met welbeproefde immuno-reflex : Bij dergelijke, consequent doorgefokte populaties gouldamadines zijn aftakelingssymptomen en zwakte-symptomen zoals bvb infecties met luchtpijpmijt, of bvb kaalkoppen, bovendien onbestaande.

Voor al die fokkers die er de moeite voor op kunnen brengen om de daad bij het woord te voegen, en vervolgens de hierboven gesuggereerde proef op de som te nemen,


voor hen volgt al gauw een soort duidelijkheid die grenzen verlegt.

Veel succes.


Tekst :
Lennert-Vic, Lester-Lawrence,
& Ivan Lievens

donderdag 14 januari 2010

De Prachtvogel-Aalst
Grote vogelbeurs 17 januari 2010
Groot eetfestijn 27-28 februari 2010


Prachtclub "De Prachtvogel-Aalst" doet meer dan de jaarlijkse organisatie van de Belgisch-nationale vogelexpo in de Wieze-Oktoberhallen.


Eerstvolgend op de kalender :

•   GROTE VOGELBEURS > > > nu zondag 17 januari

•   GROOT EETFESTIJN > > > op 27 & 28 februari

U wordt er persoonlijk en hartelijk ontvangen door bestuurslid en PR-voorman Hans Mertens, bij wie u ter plaatse altijd terecht kan voor alle mogelijke info, eventuele vragen en/of assistentie.
Van harte welkom.


Voor directe info :
Voorzitter Prachtvogel-Aalst, E. De Troyer
Mail : voorz.keurders@kbof.be
Tel. : 053 77 32 91


zaterdag 19 december 2009

Best wishes of prosperity for 2010
Beste wensen van voorspoed voor 2010
Meilleurs voeux de prospérité pour l'an 2010


Joyeux Noel et Bonnes Fêtes à toutes et à tous de nos amis-éleveurs.
Merry Christmas and a Happy New Year to all of our acquaintances...
Vrolijk kerstfeest en Gelukkig Nieuwjaar aan alle kennissen-fokkers

zaterdag 12 december 2009

Moshe & Hanna from Jerusalem - Israel :
White breasted in single factor pastel
Witborst in enkelfactorig pastel


Op slechts een drietal jaar tijd hebben Hanna en Moshe grote vooruitgang geboekt.

Eén van hun specialiteiten is pastel. Hieronder in zwartkop en roodkop.
ENGLISH READERS :
All around the world ever more gouldian breeders are now making efforts towards the natural breeding approach. These efforts are on average paying off on much shorter terms than generally expected. Provided a few of the most elementary "gouldian rules" are taken into account from the start.

LECTEURS FRANCAIS :
Partout dans le monde de plus en plus éleveurs font des efforts sérieux envers un élevage naturel par parents et sans médicaments industriels. Ces efforts-là en moyenne donne des résultats plus vites que généralement attendu. Evidemment à grande condition que certaines « régles-gould » élémentaires sont respectées dès le début.

NEDERLANDSE LEZERS :
Overal ter wereld doen steeds meer kwekers inspanningen naar medicatie-vrije natuurbroed-kweek toe. Die inspanningen worden gemiddeld vlugger beloond dan algemeen gedacht. Evenwel op voorwaarde dat enkele elementaire "gouldregels" vanaf het begin in acht worden genomen.

Links 3X jonge zwartkop in enkelfactorig pastel, bijna uitgeruid;

Hieronder drie jonge enkelfactorige mannen in witborst, net uitgeruid.


Hierboven het hele gezin aan de slag met het jute-nestmateriaal;
Links een beeld van de zelfgemaakte kweekkooien : "lekker luchtig"

Gouldpagina FAMILY LEVY'S NATURAL GOULDIAN HOUSE ISRAEL
Contact met Moshe en Hanna Levy


Tekstbewerking : Lester Lievens

__________________________________________________________

Dia Slides Lievens Gouldamadines : Zichtbaar méér type, Zichtbaar méér gould, gouldamadine² = gouldamadine in het kwadraat


vrijdag 27 november 2009

TECHNISCHE RUBRIEK, deel 1 : Ivoren Torens
Opsomming van achterhaalde technicaliteiten
uit meerdere bijbels van technische commissies


Vanaf   voorjaar  2010   gaat   een   nieuwe technische  rubriek  inzake   gouldamadines van   start.     Daarin   worden   tegen   het daglicht    gehouden,    een    reeks    van zogeheten   "technische   bepalingen"  zoals die   vandaag    -nog    steeds    op    zeer uitéénlopende en vaak  abstracte manieren- door een hele reeks technische commissies-gouldamadine via verschillende gould-standaarden worden opgelegd.

Tegelijk blijven vernauwende interpretaties vaststelbaar omtrent achterhaalde technicaliteiten en/of onbestaande technische definities van :

• Carotenoïde mannenkoppen (+ variabele pigmentladingen)
• Carotenoïde poppenkoppen (+ variabele pigmentladingen)
• Vraagprogramma's voor poppen met mannenkoppen
   (+ neveneffecten en gevolgen)

• Paarsborst mannenborsten
   (meervoudig pigmentbereik + kleurtonaliteiten)
• Paarsborst poppenborsten
   (enkelvoudig pigmentbereik +
    variabiliteit in phaeomelaninelading + kleurtonaliteiten)

• Buikbevederings –luteïne (optische effecten
   o.i.v. verschillende pigmentladingen)
• Kopbevederings- (epoxy)luteïne (optische effecten
   o.i.v. verschillende pigmentladingen)

• Chemische balans tussen luteïne en epoxy-luteïne
• Optische variaties van luteïne en epoxy-luteïne

• Mechanismen voor “optisch lila” (in mannelijke borsten)
• Mechanismen voor “optisch paars”                   ( “ “ )
• Mechanismen voor “optisch iriserend paars”     ( “ “ )

• Witborst (en meervouds-allelen, inclusief neveneffecten)
• Lilaborst (en meervouds-allelen, inclusief neveneffecten)
• Rozeborst (en meervouds-allelen, inclusief neveneffecten)

• Witborst-vlekkerigheid - eumelanine gelinkt
• Witborst-vlekkerigheid - phaeomelanine gelinkt
• Lilaborst-phenotypes en destabiliserende factoren
• Rozeborst-phenotypes en destabiliserende factoren

• Pastel (effecten op paarsborst in enkelfactorige phenotypes)
• Pastel (in destabiliserende dubbelfactoren + neveneffecten)
• Hyperactieve pastelwerking in paarsborst-phenotypes
• Interactieve eumelanine-reductie tussen pastel en witborst
• Benamingen, zowel naar phenotype als genotype + gevolgen
• 3 naamgevingen voor éénzelfde factor + gevolgen
• European Pastel & Dilute

• Het actuele “blauw” met luteïne-residu’s
• Het onbestaande "echte" blauw zonder luteïne-residu’s

• Verstoorde tyrosinase-fase met afwijkend rugkleurbeeld
• Bruin rug-eumelanine met ontbrekende oxidatie-trap
• Afwijkende kleurbeelden tot op vandaag onbesproken
     S T A N D A A R D    &    S T A N D A A R D   =    T W E E

   DENK    VERVOLGENS     AAN     ALLE    ANDERE    NORMEN      VANDAAG  NET  ZOVEEL   TECHNISCHE  STANDAARDEN       ALS        ER        TECHNISCHE       COMMISSIES        ZIJN

Situering van de problematiek
Vandaag zijn er -alleen al binnen Europa- net zoveel geheel verschillende standaarden voor gouldamadines als er technische commissies voor gouldamadines zijn. Dat zijn er nogal wat. Zonder enig onderling overleg. Met telkens verschillende uitkomsten en waarheidsbepalingen. Voor één en dezelfde vogel. Frappant is dat tegelijk in elke en iedere gouldstandaard technische correctheid wordt opgeëist. Door elke en iedere van de vele commissies. Tegelijk blijven ook vandaag "technische onduidelijkheden" overtrokken met een waas van geheimzinnigheid en mysterie. Tegelijk blijft daar tevens in groeiende mate de vaststelling van standaarden en vraagprogramma's die met ongerijmde abstracties en uiteenlopende terminologiëen de interactie en communicatie binnen de gouldliefhebberij belasten. Wie wordt dààr beter van ?

Keurders en hun richtlijnen
Het is een publiek geheim : Vooral in de lage landen werken exotenkeurders doorgaans met een zeer hoge graad van praktische deskundigheid. Echter steeds binnen het kader dat voor hen is uitgezet. Want keurders zijn er nu éénmaal toe gehouden om te werken op basis van de hen opgelegde standaard-richtlijnen. Die richtlijnen worden vandaag opgesteld door tal van technische commissies-gouldamadine van wie in de eerste plaats opperste technische expertise moet kunnen verwacht. Hoe uitéénlopend hun standaardformuleringen en richtlijnen voor één en dezelfde vogel in praktijk nog steeds blijken te zijn. Keurders voeren enkel de specificaties van de regelgeving uit, niet zelden tegen beter weten in.

Technische commissies en hun verantwoordelijkheid
Per slot van rekening dragen leden van technische commissies persoonlijke en collectieve verantwoordelijkheid voor wat zij als regelgeving aan keurders opleggen. Daarom kan enkel het "zwaarste toegangsexamen" voor kandidaat-commissieleden volstaan. Want van technische regelgeving-makers die gaan bepalen hoe anderen moeten werken, wordt -in de allereerste plaats- wel degelijk de allerhoogste technische bekwaamheid en expertise van allemaal verwacht. Tegelijkertijd moet van de talloze regelgeving-makers tevens de grootst mogelijke vooruitkijkende wijsheid kunnen worden vermoed; vooruitkijkende wijsheid die anticipeert in alle mogelijk denkbare richtingen. Vooruitkijkende wijsheid die tegelijk anticipeert naar alle mogelijke medespelers op het veld. Het veld dat vandaag aanzienlijk groter is dan hun eigen achtertuin. Daarbij dag aan dag in versnellende mate groter wordt dankzij expansieve effecten via internet-communicatie. Van de talloze regelgeving-makers wordt een vooruitkijkende wijsheid verwacht die niet enkel streeft naar absolute technische correctheid. Maar tegelijk ook altijd streeft naar de grootst mogelijke internationale begrijpbaarheid door éénvormigheid. Eénvormigheid in codering, normering, technische terminologie en taalgebruik. Tussen alle betrokken medespelers. In alle richtingen. Opdat elk van de betrokken spelers elkaar naar woordgebruik altijd kunnen verstaan. Ook daar blijft vandaag de vaststelling dat zoiets geenszins het geval is. In een wereld die vandaag "steeds sneller, steeds groter" wordt, ligt nochtans precies in die internationale begrijpbaarheid / bruikbaarheid, de sleutel waar de liefhebberij beter en sterker van moet worden. In een tijdsbeeld waar vogelliefhebberij en beleving zuchtend gebukt gaan onder allerhande crisis-effecten, is precies die nood nog eens zo groot.

Steeds sneller evoluerende wereld
In deze context draagt elke bond van elk land zijn eigen verantwoordelijkheid. Vandaag zijn er landen die op dit vlak reeds deelse inspanningen hebben geleverd. Sommige weliswaar klein, andere iets minder klein. Waarbij van elke betrokken partij vermoed wordt te presteren naar eigen potentieel en mogelijkheden. Op dit vlak blijft één van de allerbelangrijkste spelers in een snel verschuivend internationaal scenario echter roemloos achter. Terwijl het precies de Nederlandse gouldliefhebberij is die zonder twijfel het grootste potentieel in zich draagt, staat uitgerekend de Nederlandse standaard vandaag nog steeds bol van dubbele tot drievoudige naamgevingen, plastische verwijzingen en andere gehanteerde abstracties. Die daarenboven elke internationale begrijpbaarheid van technische jargontaal onmogelijk maken. Waardoor de Nederlandse gouldliefhebberij internationaal steeds verder geïsoleerd dreigt te raken. Lokale verstarring binnen een snel evoluerend internationaal gegeven draagt altijd enorme consequenties in zich. Zo is binnen de vogelliefhebberij voorheen al vaker gebleken. Ondertussen worden in een snel evoluerende wereld de nadelen voor de Nederlandse gouldliefhebber in toenemende mate zichtbaar. Nadelen die een liefhebberij zuchtend onder allerlei crisis-effecten best kan missen. Bovendien : alle nadelen voor één van 's werelds belangrijkste spelers op dit vlak zullen op korte termijn tevens afspiegelen op de rest van de liefhebberij in Europa. Vervolgens met een voorspelbaar boomerang-effect terugkerend naar afzender(s). Een vicieuze cirkel.

Concluderende vaststelling
Tot  nader  order  blijft de vaststelling van aangehouden  verstarring   tussen vrijwel   alle    Europese   technische commissies-gouldamadine, elk van hen teruggetrokken in hun eigen ivoren toren. Hetgeen vandaag nog steeds doorlopend bevestigd wordt door plaatselijke waarnemers in de onderscheiden landen.
Vandaag  zijn  er   -alleen  al  binnen Europa- net zoveel geheel verschillende standaarden voor gouldamadines als er technische commissies voor gould-amadines zijn.    Dat zijn er nogal wat. Met   telkens   onderling   afwijkende terminologiëen. Met bovendien zo vaak mensen die mekaars taalgebruik niet machtig zijn, landstaal zowel als technische jargontaal. Met vervolgens telkens verschillende uitkomsten en waarheidsbepalingen. Voor één en dezelfde vogel. Derhalve blijft als eerste vraag :
Wie wordt dààr beter van ?

Tot 31 januari 2010 opmerkingen en suggesties inzake huidige standaardnormeringen en aanverwante technische onderwerpen, naar naturalgould@mail.be



Tekst : Ivan Lievens
Tekstbewerking : Lester Lievens
lievens[.]lester[AT]gmail[.]com

maandag 2 november 2009

Rubriek "De gouden pluim", deel 2
Gouldkwekers-wijsheid aan het woord
EX-Voorzitter regio 1 , Leo Koopman :
"Koop geen kat in een zak."


In de rubriek "Gouldkwekers-wijsheid" is het woord vandaag aan Leo Koopman, voorzitter van regio 1 in de Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadine NL. Ook Leo mag "De Gouden Pluim" op zijn hoed steken. Proficiat Leo.

Waar let ik op                     door
bij                                      LEO KOOPMAN
aanschaf
van
gouldamadines ?


Als je als vogel kweker besluit Gouldamadines te gaan kweken dan zijn er meerdere dingen waar je op moet letten, want je koopt al gauw een kat in de zak.

• 1. Koop alleen Gouldamadine uit natuurbroed. Er zijn nog steeds kwekers die Japanse meeuwen gebruiken om Gouldamadines groot te brengen. Als je hier meer over wil weten is er een club waar je alles te weten kan komen en dat is de S.N.G.N.: Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadine Nederland. Deze leden specialiseren zich in het kweken op zo natuurlijk mogelijke wijze. Deze mensen maken geen gebruik van Meeuwen. Het is in de club verboden en als men het toch doet, loopt men stellig de kans geroyeerd te worden.

• 2. Het is aan te raden om eerst bij een kweker te gaan kijken hoe hij zijn vogels houdt, vraag eens wat hij voert en hoe de temperatuur in zijn hok is. Let er vooral op, dat je gezonde vogels koopt die helder uit de ogen kijken, een gladde snavel en een glad verenpak bezitten. Geen platkop maar wel gave pootjes hebben. Vraag ook eens naar een stamboom of kweekkaart: zo kom je een hoop te weten van de vogels die je wilt kopen. Je krijgt tegelijk ook een indruk van de kweker, hoe hij met bepaalde zaken omgaat. En geef je ogen de kost, kijk in de kooien of er natte mest ligt. Als je er dan een goed gevoel over hebt, koop dan gerust de vogels.

• 3. Waar let je zeer goed op wanneer je een gould aanschaft :
* Het formaat – moet mooie en volle body zijn.
* De kop - moet een mooie ronding hebben, niet plat.
* De tekening - moet strak afgelijnd zijn, geen rafels.
* Het model - mag beslist geen potloodje zijn.

• 4. Koop geen kat in een zak. Wanneer je op een beurs, vrije verkoop of van de handel koopt, weet je nooit de achterliggende geschiedenis van een vogel. Dus blijf op je hoede, je weet op dat moment nooit wat je op het hok haalt.

Mijn lijfspreuk is :

Eerst kijken dan doen.
• Jong geleerd is oud gedaan.
• Iemand die geen fouten maakt doet niets.
Vragen mag zeuren niet.
• Help eens een ander als je zelf geholpen wilt worden.
• Kampioenen koop je niet, die kweek je zelf.
• Een kampioen kweken is een kunst.
Een kampioen blijven nog een grotere KUNST !
• Wees nooit jaloers op andermans vogels, maar probeer zelf.
Kweek kwaliteit in plaats van kwantiteit.

Ik ben gewezen voorzitter van de Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadine Nederland Regio 1
Mijn kweeknummer is ZH46.
Website www.gouldzee.nl
Vragen zijn welkom. Contact met Leo & Thea Koopman

Noot vh Hok Lievens :
“Goed gesproken Leo. Wat gouldkwekers er zelf voor over hebben, onderscheidt hun vogels en henzelf altijd van de rest.”


Tekstbewerking : Ivan & Lester Lievens

woensdag 28 oktober 2009


HET VOEDINGS - TECHNISCH LUIK : deel 2
Dierlijke eiwitbronnen in opfok van zaadeters



Inleiding

Wat is de waarde van kweeksupplementen met dierlijke eiwitkern? Valt het te verkiezen om eigen opfokvoer aan te maken met een eitje, en vervolgens te gaan opwaarderen met één of ander super-kweeksupplement ? Of kan dat vandaag de dag “gevaarlijk gedrag” zijn, met al die blitse potten zonder duidelijke inhouds-opgave ? En wat als… er een koe in de pot zit ?

Anderzijds, wanneer men af gaat op wat er wél te lezen staat op de verpakking van welbepaalde merknamen van eiwitkernen en andere “super-kweek” poeders, waant men zich voorwaar eventjes lezer van de fabeltjeskrant. Is het dan echt allemaal zo veelbelovend fabelachtig als het lijkt...?

Vervolgens : waarom is het ene commerciële eiwit-kweeksupplement zonder meer reeds 20 jaar succesvol …? Terwijl bepaalde andere kweeksupplementen het ene eerste jaar al eens voor een piek in de kweekresultaten zorgen, en daarna veelal niks bijzonders meer… of inderdaad… vaak nog veel minder. Verschillende oorzaken liggen aan de basis. Verder in deze synthese wordt op één van die mogelijke oorzaken in gegaan.

Aangewezen waarden voor benutbaar eiwit in opfok

Hoe “zwaar” dient de totaalfractie eiwit in een opfokvoer aanwezig te zijn…? Wel te verstaan, wanneer we spreken over opfok voor zaadeters ter grootte van pakweg een kanarie. Het benutbaar eiwitpercentage van opfok voor azende zaadeters behoort te liggen rond een maximale doorsnee werkwaarde van 16.2% à 16,6% (benutbaar dus), om verschillende redenen.

Let wel : “doorsnee werkwaarde” ,
want de eiwitbehoefte van groeiende vogels verloopt steeds progressief, vanaf de allereerste levensadem, vanaf de geboorte. Eerst strak stijgend, dan plots even kort piekend, en vervolgens gestadig dalend tot nominale werkwaarden tot het moment van uitvliegen. Bij het uitvliegen zakt de eiwitbehoefte nog een paar tienden, terwijl het lichaam in toegenomen mate focust op energiestofwisseling. Stap voor stap niet meer dan logisch, want het jonge lichaam dient de aangevoerde eiwitfractie tijdens elke fase van die eerste drie weken ook nog te kunnen verwerken. Zijn de eiwitwaarden in opfok te hoog, of van een verkeerde samenstelling, dan wordt de gezondheid van opgroeiende nestjongen belast op korte, maar vooral op middellange termijn. Zelfs op lange termijn, mogelijk gedurende de rest van hun leven. Van daar ook het grote belang van specifieke en correcte eiwitverstrekking via opfok. Pas gekipte jongen starten met een eiwitbehoefte van een kleine 12%. Alweer logisch ook, want dat is niet alleen ongeveer de totale eiwitfractie van de ei-inhoud waar het jong zijn embryonale fase in doormaakt, tot de dag van het kippen. Bovendien verloopt de eiwitbehoefte van het gekipte vogeljong progressief vanaf de geboortedag / dag van het kippen, met een eiwitstart ter grootte van de procentuele waarde van de in de buikholte binnengetrokken dooierrestant, zijnde plusminus 12-13%; het progressieve verloop van de jonge vogel’s eiwitbehoefte gaat de eerste dagen in strak stijgende lijn. Voor de meeste zaadeters niet groter dan pakweg een kanarie, stijgt de benutbare eiwitbehoefte vrij vlug tot 16%-16,5%, om even daarna -meestal naar de 9e tot 11e levensdag toe- heel even kort te pieken tot een kleine 17,5% tot (maximaal meestal)18%, soms wat meer (afhankelijk van de vogelsoort). Nadien zakt de eiwitbehoefte -aanvankelijk vrij langzaam, daarna iets sneller- en blijft (afhankelijk van soort tot soort) tot een paar dagen vóór het uitvliegen op een waarde van een kleine 15% tot een goeie 15% benutbare eiwitwaarde (afhankelijk van de soortgrootte, en van het tijdstip van nestverlaten)

Eiwitstofwisseling versus energiestofwisseling
Alweer afhankelijk van de soort (quote “een goudvink is geen gouldamadine”), zal net voor, tot net na het nestverlaten, de eiwitstofwisseling in intensiteit inleveren ten voordele van de energiestofwisseling. Op dat moment zal de eiwitbehoefte van de jonge vogel alweer een stukje dalen, op dat ogenblik tot waarden van ongeveer een kleine 13% tot 14% benutbaar –of zelfs wat lager- inderdaad ook daar alweer in beduidende mate afhankelijk van de gekweekte soort vogels.

Kippe-ei-proteïne zit op 12%

Zoals boven vermeld komt de totaalinhoud van een kippe-ei niet toe aan de noodzakelijke, benutbare totaalfractie eiwit van 14% - 16%. Hoe mooi verdeeld ook het vogelspecifiek aminozurenpatroon van dat kippe-ei, en hoeveel eieren men ook in een opfokvoer mengt, opfok louter op basis van dierlijke proteïne uit eieren behoeft in de meeste gevallen opwaardering met een geschikt en hoogwaardig supplement van dierlijk eiwit –zoals hierboven verduidelijkt-.
Alweer logisch, want vooral tijdens de eerste 10 dagen vanaf het kippen kunnen nestjongen extra proteïne gebruiken. Meteen ook de reden waarom de meeste zaadeters in hun wildbiotoop massaal insecten aansleuren in de eerste week na het kippen… Insecten die naar voedingswaarde minimaal al gauw aan 16,5 % benutbaar eiwit komen te zitten, en meer… Naar het einde van die eerste levensweek toe, is er dus aanzienlijk meer nodig dan de krappe 12% -fractie uit eieren.

Daar eigeel (dooier) + wit van het ei samen gemiddeld slechts een totaalwaarde van 12% proteïne vertegenwoordigen, zal de hierdoor bereikte nuttige proteinewaarde van de opfok logischerwijze steeds rond de 12% blijven. Zeker nog meer zo wanneer het gekookte ei wordt versneden door toevoeging van beschuitmeel, rusk, broodkruim of een andere koolhydraathoudende mengwaarde. Ook al geeft men vanaf dag 3 enkel de eidooier (zonder wit van het ei dus) + beschuitmeel, dan nog komt men in het allerbeste geval slechts eventjes een paar tienden boven 13% benutbare eiwitfractie uit. Weliswaar in dat laatste geval dan nog wel met dien verstande dat het aminozurenpatroon reeds lichtjes is scheefgetrokken in het voordeel van vooral de zwavelhoudende aminozuren, die rijkelijk in eigeel of dooier aanwezig zijn (en bijgevolg dus in verhouding nauwelijks in het wit van het ei).

Kweeksupplementen met melkeiwit
Zijn ze goed ?... of gewoon goed-koop ? Of misschien in een ander geval dan wellicht weer net-niet-‘zó goedkoop’- wanneer de kweker zijn eindbalans opmaakt …
De commercie promoot merknaam A, eiwitkern B, kweekmix C …veelal enkel op basis van immer goedkoop melkeiwit (desgevallend plus soya-eiwit). Wie zal het nog verbazen? Maar wie is er tegelijk ook van overtuigd dat zaadeters wel degelijk het best af zijn met een supplementering louter uit melkeiwit ? Wie meent dan oprecht dat eiwitstructuren afkomstig van zoogdieren voor een azende zaadeter beter zijn dan eiwit uit insecten…? …En wie denkt dan wellicht nog dat melkeiwit ook beter zou zijn dan de inderdaad van oorsprong –evolutioneel- veel dichter aan vogels gerelateerde eiwitten uit vis, bovendien gebufferd met voor de vogel veel interessantere vetzurenfracties…? Wie is er ook dan nog steeds écht van overtuigd dat eiwit uit zoogdieren voor azende zaadeters beter is dan eiwit uit insecten en/of uit vis…? Het eerste heeft veel minder met de andere te maken dan op het eerste gezicht lijkt. Verder in deze bijdrage wordt duidelijk waarom.

Eiwit uit insecten en eiwit uit vis
Vanaf dag 2, gedurende een dag of twee-drie enkel gekookte eidooier als dierlijke eiwitbron verstrekken teneinde het proteïnepercentage van opfok lichtjes te verhogen, inclusief nadruk op zwavelhoudende aminestructuren, kan nog net. Hoewel het om verschillende redenen zeer aan te bevelen is om vanaf dag 2 na het kippen, naast ei tevens een aanvulling te voorzien met insecten en vis(eiwit). Voor alternatieve supplementering met het oog op procentuele stijging van dierlijke proteïne in het opfokrantsoen van azende zaadeters, zijn naast viseiwit dus vooral eiwitten uit insekten aan te bevelen. Om velerlei redenen. Wat de commercie verder ook in catchy slogans beweert, voor azende zaadeters is er in wezen slechts 1 andere eiwitbron die nog beter geschikt is dan vis(meel). En dat is uiteraard het originele concept van eiwit uit insecten. Hier ligt het totale voedings- rendement het hoogst, en tegelijk belasting door metabole zuurresidu's het laagst.

Voor alle duidelijkheid :
“Metabole zuurresten” zijn totaal wat anders, en staan geheel niet gelijk aan “vrije, organische zuren” zoals men die in fruit en groente aantreft. Zo hebben bijvoorbeeld zure vruchten zoals citrus en zwarte/blauwe bessensoorten meestal een vrij groot overschot van organische zuren. Deze laatste verbranden in het lichaam tot koolzuur. Er blijven van deze zuren dus geen schadelijke resten achter in het lichaam. Maar daarentegen wel een rest van nuttige organische basen. Aanlevering van vrije zuren uit specifieke groente- en fruitsoorten helpt aldus overmaat en stapeling van metabole zuren te voorkomen.

Melkeiwit : metabole overschotten en gevolgen
Veruit de minst geschikte dierlijke eiwitbron voor nadrukkelijke supplementering bij azende zaadeters is melkpoeder (of vleeseiwit). Ook al zijn de meeste kweek- en opfoksupplementen met vaak flitsende labels, voor hun dierlijke fractie louter gebaseerd op het “commercieel handige” melkeiwit.

Enerzijds is melkeiwit inderdaad wel iets meer geschikt voor “allesetende” vogels, zoals onder meer kraaien en gaaien. En daarnaast uiteraard ook meer geschikt voor roofvogels. Anderzijds zal het voor elk duidelijk zijn : een kanarie is geen aasgier, en bijgevolg eet die kanarie op courante basis zaden en granen, maar geen biefstuk. Bij de verwerking en opruiming van afvalzuren uit vlees- en melkeiwitten zullen binnen het lichaamsmetabolisme van de zaadeter in alle geval aanzienlijk veel grotere fracties vitaminen, mineralen en andere cruciale hulpstoffen aan de lichaamsreserve dienen onttrokken te worden dan normaal het geval is bij comsumptie van insecten- of viseiwit. Zelfs al zou de zaadeter het onwaarschijnlijkerwijze voor mekaar krijgen om de bicarbonaat-buffer op peil te houden en tegelijk ook de rest van alle andere weggeroofde hulpstoffen steeds tijdig aan te vullen tot vereiste niveau's, dan nog kan de overbelasting van de pancreasfunctie een uitgesproken diabetes-gevoeligheid van de vogel in de hand werken, met tal van mogelijke, niet onmiddelijk specifieke ziektebeelden vandien. Bovendien blijft het in de meeste gevallen zeer twijfelachtig dat werkelijk alle metabole zuurresidu’s uit de verwerking van zoogdieren-eiwit volledig kunnen worden opgeruimd. Dat één en ander op middellange termijn een belastende factor voor de duurzaamheid van voortplanting en algemene gezondheid van de vogelpopulatie zal uitgroeien, valt in praktijk door fokkers-melkeiwitverstrekkers bij herhaling vast te stellen. Zelfs op vrij korte termijn uiten zich vaak de eerste negatieve verschijnselen.

Want nog ingrijpender dan de “hulpstoffenroof” binnen het lichaamsmetabolisme, is de uiteindelijke impact van vlees- en melkeiwitten op de zuur-base balans van het vogellichaam. In vergelijking met de eiwitverwerking uit insecten en vis, blijven in het vogellichaam uit de verwerking van eiwitten afkomstig van zoogdieren immers andere types metabole zuren in het spijsverteringtraject achter die de zuur-base balans van de jonge zaadetende vogel extra belasten, en de conditie van de vogel op verschillende niveau’s hypothekeren, ter hoogte van lever, pancreas en andere organen, zowel als in de darmfunctie. Zelfs de zuurwaarde van het bloed wordt bij supplementering met melkeiwit, door de aard van de achterblijvende metabole zuurresidu’s, onderhevig aan minimale daling. Het zuur-base evenwicht is één van de meest cruciale factoren voor vitaliteit, gezondheid en voortplanting. Roofvogels zijn vanuit hun evolutie veel beter voorzien op de eliminatie uit hun lichaam van dit soort types metabole afvalzuren afkomstig uit zoogdieren-eiwitten; zaadetende vogels duidelijk veel minder, in sommige gevallen zelfs nauwelijks. Met de gekende gevolgen. In vogelpopulaties waar overvloedig met melkeiwitten wordt gegoocheld voor opfok van zaadeters, zal de levensduur zowel als bekwaamheid tot voortplanting op termijn een stuk beperkter uitvallen dan bij populaties waar eiwitten uit ei, insekten en vis op het opfokmenu staan.

Meer gevolgen
Vandaar ook dat jonge zaadeters die reeds van in het nest louter met melkproteïne worden gesupplementeerd, in de regel aanzienlijk meer kans maken om even later tijdens de jeugdrui een net iets grotere vatbaarheid voor parasitaire darminfecties te vertonen, bovendien vaak op wat latere leeftijd ook net iets eerder last gaan ondervinden van bijvoorbeeld jichtsymptomen of nierfalen. Tegelijk laten dergelijke vogels pover opgebouwde epitheelstructuren zowel als veelvuldige slijmvliesbeschadiging vaststellen. Met als direct gevolg aanzienlijk hogere risico’s op bacteriële neveninfecties ter hoogte van ogen, luchtwegen en darmstelsel. Specifiek tevens vaker spin-offs met vaststellingen van huid- en bevederingsproblemen, zoals bvb ondermeer verstoorde ruifase, chronische eczeemvorming, snavelwoekeringen, kalkpootverschijnselen, stokrui, follikelbeschadigingen enz... Specifiek bij gouldamadines inderdaad beduidend meer follikelproblemen door zogenaamde combinatie-infecties, met de zeer herkenbare "kaalkopsymptomen" als resultaat.
Povere epitheelstructuren resulteren verder eveneens in drastisch verhoogde gevoeligheid voor (zweep)- parasieten in het bovenste deel van zowel luchtwegen als spijsvertering, zoals tricho en cochlo, met onveranderlijk steeds verdergaande slijmvliesbeschadiging. In het verlengde hiervan is eveneens zeer specifiek voor gouldamadines, een drastisch verhoogde gevoeligheid voor infecties met luchtpijpmijt. Daarnaast uiteindelijk ook meer verhoogde risico's op virale infecties en schimmelaandoeningen dan het geval is bij populaties van dezelfde vogelsoorten die als nestjong met extra dierlijk eiwit uit insecten en/of vis worden gesupplementeerd, in plaats van melkeiwit.

Parasieten-gevoeligheid meestal levenslang
De verhoogde gevoeligheid  voor  inwendige parasieten is bij melkeiwit-supplementering van  zaadeters   niet   enkel   regelmatig vaststelbaar tijdens de juveniele fase, maar ook   vaker   bij   volwassenheid,  meestal levenslang. Of een zaadeter al dan niet grote weerstand ontwikkelt tegenover parasieten, is steeds tweeërlei bepaald : Naast genetische aanleg en immuun-bekwaamheid, is op jonge leeftijd ook de onverstoorde ontwikkeling van het vermogen tot ongeremde aanmaak en vernieuwing van darmepitheel van cruciaal belang. Deze onbeschadigde ontwikkeling van darmepitheel wordt mede bepaald door externe factoren, waarvan voeding de belangrijkste is. Vanaf geboorte tot eind jeugdrui is het darmweefsel van jonge vogels een stuk gevoeliger voor beschadiging door overmaat aan zuurresidu's uit melkeiwit, waarbij parasitaire infecties makkelijker vrij spel krijgen. Tegelijk wordt elk darmweefsel dat onder druk staat van parasieten, eveneens veel vatbaarder voor bacteriële infecties en schimmelinvasies. Niet zelden tijdens het hele verloop van het verdere vogelleven. Een leven dat in de regel ook vaak korter uitvalt dan dat van hun soortgenoten die als azend jong, naast een basisopfok met ei-proteïne, tevens met proteïne uit insecten en/of vis(meel) werden gesupplementeerd.

Conclusies : de 3 geboden
1. Eerder dan eiwit uit zoogdieren te supplementeren in het opfokvoer van azende zaadeters, blijkt het zonder meer aangewezen om binnen het kader van een doelgerichte voedingstechniek in eerste instantie te kiezen voor supplementering met eiwit uit insecten.

2. Tweede dierlijke proteïnebron voor azende zaadeters is uiteraard eiwit uit kippe-eieren; voordeel hier is uiteraard de authenticiteit en herkenbaarheid van de te verteren eiwitstructuren en bufferende hulpstoffen, want het vogelembryo groeit uit ei-proteïne. Nadeel voor het opgroeiende nestjong is de relatief lage benutbare eiwitwaarde, beperkt tot 12-12,5%.

3. Het eerstvolgende alternatief is viseiwit. Supplementering met 1% tot 2% (Deense haring) vismeel heeft meerdere voordelen. In dit laatste geval krijgt men er –afhankelijk van de bron- bovendien meestal de mooie vetzuurfracties uit vis, direct bij. Hetgeen ook meteen de jonge vogels in kwestie zal toelaten hun zuur-base balans nog net een stukje beter te beheren.


Plantaardig eiwit
Hierboven hebben we het uitsluitend gehad over eiwitbronnen van dierlijke origine. Uiteraard zijn voor zaadeters daarnaast tevens eiwitbronnen van plantaardige oorsprong van zeer groot belang voor een vlotte spijsvertering en groei van jonge vogels. Sterker nog, globaal gesproken mag zelfs gesteld worden dat in veel opfokvoeders een scheefgetrokken verhouding geldt, waarbij relatief te veel dierlijk eiwit en derhalve tegelijk relatief te weinig plantaardig eiwit aanwezig is.

Voor jeugdruiende vogels en het zachtvoer dat hen meestal wordt aangeboden, geldt één en ander nog in sterkere mate. Tijdens het verloop van de ruifase behoren zaadeters in sterk aflopende mate dierlijk eiwit in hun voedingsstramien te vinden. Gecompenseerd met stapsgewijze groter wordende fracties van plantaardig eiwit. Op middellange en lange termijn komt dit zowel de gezondheid als de voortplantingskracht ten goede.

Afsluitend
Kwekers die al zo vaak verlangd hadden om drastisch minder industriële chemo en antibiotica te willen gaan gebruiken, dienen ook in een voedingscontext altijd te beginnen bij het begin. Want niet alleen afkomst en genetisch voorbepaalde bekwaamheid van de vogels is van belang. Zeker in even grote mate belangrijk is ook voeding : sterke vogels door sterke voeding. Alleen dan komt het volledig genetisch potentieel van vogels tot uiting. Alleen op deze manier wordt uiteindelijk niet enkel de levenskwaliteit van de gefokte vogels, maar in het verlengde daarvan zeker ook hun levensduur, een flink stuk opgetrokken. De resultaten in vitaliteit en conditie zijn er reeds vanaf het eerste kweekseizoen aan te zien, of men nu gouldamadines kweekt, of goudvinken, of andere zaadeters.
Zo eenvoudig is dat.



Publicatie uit "De Witte Spreeuwen", jaargang 59, januari 2009
Tekst : I. Lievens
Tekstbewerking : Lester Lievens


Noot : De auteurs hebben op geen enkel niveau enige commerciële binding, van welke aard dan ook, met welk bedrijfsgegeven dan ook.