Pagina's

vrijdag 25 maart 2011

RUBRIEK "KnowHow" :
Speciaalzaadmengeling voor gouldamadines
en andere Australische Prachtvinken
Publicatie op herhaald verzoek



Zaden waar gouldamadines om vragen

In de handel zijn vandaag geen zaadmengsels  voorhanden die volledig voorzien in de specifieke   zaadbehoeften  van  de  gouldamadine  als  soort,
ook  al  worden  er op heden  in  de winkelrekken
wel enkele zaadmengsels  als APV gepresenteerd.

Tegelijk is er de vaststelling dat veruit de meeste commerciële exotenmengsels één of andere oververzadiging laten vaststellen, onder meer met :

1. ofwel gele milletsoorten
2. ofwel rode milletsoorten
3. ofwel witte milletsoorten
4. ofwel rode panis
5. ofwel gele panis
6. ofwel een overmatige combinatie van de voorgaande

Elk begrijpt meteen dat wanneer het ene teveel in de zaadzak zit, er wat anders te weinig in zit. In dan weer andere commerciële APV-zaadmengelingen en overige exotenmixen worden zaadgroepen aangetroffen die voor gouldamadines totaal ongeschikt zijn, zoals
1. bijvoorbeeld klein hennepzaad
2. bijvoorbeeld perilla

Prioritair belang en overwegingen door de kweker-consument

1. In het belang van kweker en gouldamadines, is de eerste aanbeveling uiteraard om voor kweekdoeleinden met gouldamadines steeds zaadmengelingen te gebruiken die geen afwijkende kenmerken vertonen zoals hierboven beschreven;

2. De tweede aanbeveling voor kwekers-consumenten vloeit voort uit de eerste : fabrikanten die nalaten om op de verpakking de samenstelling van de zaadmengeling in kwestie te vermelden, met inbegrip van gebruikte zaadsoorten en respectieve percentages, onthouden de liefhebber op deze wijze uiteraard elke mogelijkheid tot verificatie. Bovendien is het de vaststelling dat dergelijke zaadmengelingen niet steeds even constant zijn in hun samenstelling, maar door de fabrikant naargelang de evolutie van marktrealiteit en aankoopprijzen, in eerste instantie worden samengesteld in functie van kostprijsberekening en behoud van commerciële winstmarges. Aldus : vraag als kweker-consument van de fabrikant altijd een gedetailleerde opgave van samenstelling.







Ook al zijn er dus op heden wel degelijk commerciële mengsels die door hun respectieve fabrieken de naam APV (Australische Prachtvinken) krijgen opgespeld, steeds is de vaststelling dat die zaden waar de typische grasvinken als gouldamadines het meest om vragen, in commerciële APV-mengsels ofwel ondervertegenwoordigd zijn in de samenstelling, ofwel geheel ontbreken. In hoofdzaak gaat het dan veelal over volgende zaadgroepen :

1. Witzaad / Platzaad
2. Japanse millet
3. Graszaden (van het grovere type – bvb raaigras).
4. Fijnzaden met specifieke vetstructuren (chia, deder, ...)

De reden hiervoor ligt voor de hand : de bovengenoemde zaden behoren tot de duurdere soorten. Terwijl de fabrikant voor zichzelf op de eerste plaats “batig concurrentieel binnen zijn marktpositie” wil blijven. En tegelijk de winstmarges zo ruim mogelijk wil kunnen houden. Dat is de economische realiteit. En meteen de verklaring waarom er op heden geen optimale APV-zaadmengelingen -specifiek voor gouldamadines- in de winkelrekken voorhanden zijn. Vandaar voor Ivan Lievens de noodzaak tot ontwikkeling van een eigen zaadmix die specifiek beantwoordt aan wat typische grasvinken als gouldamadines optimaal nodig hebben. Na onaflatende proeven doorheen meerdere rui-, kweek- en rustfases op het gouldhok in de loop van de jaren tachtig, werd begin van de negentiger jaren de definieve vorm van de hieronder gepubliceerde kweekmix ontwikkeld, zoals vandaag toegepast op het Lievens-hok, uiteraard met de mogelijkheid van seizoenssupplementeringen.









Samenstelling van speciaalzaadmengeling voor gouldamadines

De jongste jaren krijgen we met groeiende regelmaat het verzoek tot publicatie van de gouldzaadmengeling zoals die op het Lievens- hok toegepast wordt.
Hoewel in de loop der jaren reeds meermaals bekendgemaakt, hierna andermaal op herhaald verzoek. Het betreft hier een basismengeling waar seizoensgewijs zadengroepen aan toegevoegd worden, naargelang de seizoensbehoefte van de gouldpopulatie.


KWEEK-MIX   LIEVENS   VOOR   GOULDAMADINES

7.200 kg plat wit .......................(zo bleek mogelijk)....... 36 %
4.400 kg panis geel .....................( “     “        “      )....... 22 %
3.200 kg millet Japan ...................( “     “        “      )...... 16 %

1.800 kg millet geel ..................................................  9 %
1.200 kg millet wit ...................................................  6 %
1.200 kg graszaden ...........(grove type, fam. “raaigrassen”).  6 %

400 gr echte onkruidzaden ...........................................  2 %
200 gr panis rood .....................................................  1 %
200 gr nigerzaad ......................................................  1 %
200 gr dederzaad .....................................................  1 %
_________________________________________________________
 20 kg                                   SUBTOTAAL                              100 %


UITBREIDINGEN NAAR SEIZOENSMENGELINGEN
VOOR KWEEK, RESPECTIEVELIJK VOOR RUI & RUST

Aan de bovenstaande basismengeling wordt progressief (stapsgewijs en in toenemende of afnemende mate) toegevoegd, naargelang de seizoenen :

1. vanaf begin rui tot einde rui progressief toegevoegd : fijnzaadmix bestaande uit een mengsel van overwegend

• timotee graszaad (55%) en
• chicoreizaad (25%),

verder strikt minimaal aangevuld met mengsel van omzeggens gelijke fracties

• weegbree,
• teunis,
• chia,
• leindotter/dederzaad,
• sesamzaad en
• anijszaad.

Progressieve seizoenssupplementering van deze mix met 3% tot maximum 4% ( totaal 600 gr tot max. 800 gr toevoeging per 20 kg)

2. vanaf einde rui (tot einde rustfase) : stop fijnzaadmix en tegelijk toevoeging van een fractie millets, bestaande uit gelijke delen witte (25%) en gele (25%) millet, en 50% japanse millet, aanvankelijk met supplementering van niet meer dan 2kg, naar het eind van de rustfase progressief oplopend tot maximum 5 kg supplementaire millets per 20 kg basismengeling. (maximum verschraling gedurende laatste 3 weken van rustperiode/schrale periode)

3. Bij de start van het kweekseizoen wordt –voor een tijdspanne van ongeveer 2 weken- nog 1,5 kg tot max. 2 kg plat witzaad extra aan 20 kg basismix toegevoegd. Vanaf dan wordt gedurende de kweekperiode voluit de basis-kweekmengeling toegepast zoals hierboven opgegeven.













Minimale voorwaarden voor optimale gouldmengeling

Elke exotenmix die minder dan

• 35 % wit platzaad, en
• 15 % japanse millet, en
• 20 % gele panis, en
• extra's van minstens 5-6% grove graszaden    
  (bovenop het aandeel platzaad)

in haar samenstelling laat vaststellen, kan helaas niet als optimale gouldzaadmengeling voor kweekdoeleinden omschreven worden. Bij nazicht blijkt dat er omzeggens geen commerciële exoten- mengelingen aangeboden worden die aan deze minimale voorwaarden voldoen. Slechts 1 merknaam (Belgische origine) komt in de buurt van de vereiste maatstaven, maar blijft wezenlijk onvoldoende voor kweekdoeleinden in optimale omstandigheden.


In de marge : perilla

In de marge nog deze hint voor allen die het nodig kunnen hebben :
Perilla mag dan een “trendy modezaad” zijn, op geen enkele wijze is perilla naar ons inzicht termijnsgewijze geschikt/gezond voor een type grasvink als een gouldamadine, noch bij toepassing in indoor koudbroed, en al zeker niet bij warmbroed in indoor kweekkooien, om verschillende redenen.

Afsluitend

Wie bovenstaande richtlijnen hanteert, zal ondermeer vaststellen dat :

1. ...bij aanvang van de kweek het obligate rustvet van kweekvogels zeer spontaan “wegsmelt” op minder dan een week tijd.
2. ...dat de aangeboden zaadmix steeds vrijwel integraal wordt opgegeten en door foeragerende gouldouders –naast zachtvoer- zeer gretig en consequent aan nestjongen gevoerd wordt; en derhalve ook nestjongen vanaf hun eerste levensdagen evenwichtige zetmeelverhoudingen toebediend krijgen, dus vanaf de allereerste levensdagen hun eigen energiebalans met het mechanisme van suikeromzetting naar reservevetten/opslagvet perfekt leren bespelen in synchrone samenloop met een intensieve eiwitvertering. Hetgeen zeker voor de latere gezondheid en levenskracht van typische grasvinken als gouldamadines alleen maar een pluspunt is.
3. ...dat gouldjongen in het nest steeds de perfecte spreiding van evenwichtige vetstapelingen over hun lichaam tonen (grotendeels dankzij de optimale kwaliteit van zetmeelverhoudingen in de zaadmix). Precies uit specifieke zetmelen in optimale verhoudingen laden nestjongen van gouldamadines op de meest aangewezen wijze hun glycogeenvoorraad vol, en zetten gouldamadines (volwassen zowel als jonge vogels) daarnaast wanneer nodig op de meest voordelige wijze suikers om naar makkelijke trigliceriden-stapelvettten.


Succes.



NOOT :      Naast de speciaalmengeling  voor  GOULDAMADINES, hanteren  wij  op  het  Lievens-hok   tevens   zelf  ontworpen soortmengelingen  voor  enerzijds GOUDVINKEN,  en  anderzijds is er sinds begin jaren '80 ook de speciaalzaadmix voor grote ROODKUIF KARDINALEN (op heden door beide zonen gekweekt). Liefhebbers die interesse hebben inzake de samenstellingen van deze speciaalmengelingen,    kunnen  ons  daarvoor  telefoneren. Omdat voeding in de eerste plaats  altijd  soortspecifiek  en dynamisch   behoort   te   zijn.    Dan    pas    kan    men    als liefhebber van zijn kweekvogels  de beste resultaten verwachten.






Gould-Speciaalmix       Goudvink-Speciaal      Kardinaal-Speciaal





2X   op   foto's   klikken,   om   te   vergroten   en   in   te   zoomen

__________________________________________________________

Tekst : Ivan Lievens
Tekstbewerking : Lester Lievens
__________________________________________________________

zaterdag 26 februari 2011

Gouldamadines op natuurlijke wijze kweken,

is het écht-authentieke werk.
De vogels spreken voor zich.


Meer goulds bekijken en vergelijken...
Meer lezen...









QUOTE :

Van oorsprong zijn er geen zwakke of onbekwame gouldamadines, want wat zich in de natuur handhaaft, heeft zichzelf sowieso bewezen als zijnde sterk.

Op het hok sterke gouldamadines kweken op natuurlijke wijze, is de toekomst van de soort veilig stellen. Zo worden vogelkwekers de grootste natuur- en vogelbeschermers van al.

                                                    (einde citaat, Ivan Lievens, 1982) __________________________________________________________

vrijdag 18 februari 2011

HET VOEDINGS TECHNISCH LUIK, deel 5 :
Voeding en hormoonhuishouding bij goulds
met het oog op stabiele kweekresultaten


Hierna de eerder genoemde mini-synthese van enkele van de meest elementaire verbanden tussen voeding en hormonaal bepaald sociaal gedrag bij gouldamadines, met het oog op stabiele kweekresultaten.

Korte samenvatting
Om hormonen te kunnen maken heeft het gouldlichaam welbepaalde bouwstoffen en hulpstoffen nodig. Hetzelfde geldt voor onderhoud van het zenuwstelstel dat in directe verbinding staat met het hormoonstelsel. Teneinde vlot te kunnen blijven functioneren heeft het zenuwstelsel in de eerste plaats nood aan verschillende types B-vitamines, gekoppeld aan specifieke elementen uit hoogwaardige vetstructuren. Daarnaast zijn tevens een resem van gevarieerde bio-actieve hulpstoffen onontbeerlijk, voor gouldamadines idealiter vooral te verwerven via grassen en overige bronnen uit groen en/of fruit. De eerstgenoemde categorie hulpstoffen, de B-vitamines, dienen voor een optimale werking van het zenuwstelsel in constante hoeveelheden aanwezig te blijven. Dus dienen ze dagelijks via de voeding aangereikt, daar het lichaam zelf geen lange stockering van wateroplosbare vitamines voorziet. Hetzelfde geldt in enigszins mindere mate, voor de genoemde specifieke elementen uit vetstructuren. De tweede genoemde verzameling hulpstoffen (de zogenaamde "bio-actieve hulpstoffen"- vooral uit verse plantaardige bronnen) zijn idealerwijze in aanzienlijke grotere fracties noodzakelijk dan wat algemeen door kwekers wordt gehanteerd in voeding voor zaadeters. Met andere woorden is het louter een vaststelling, dat deze bio-actieve hulpstoffen uit verse plantaardige bronnen op de meeste hokken - dag aan dag- doorgaans in te geringe mate aanwezig zijn in het voedingsregime.

Een vlot functionerend hormoonstelsel heeft daarbovenop dan ook weer nog andere specifieke stoffen nodig. Zoals hierna stapsgewijze beschreven.


Verder van belang te weten :

•     De eerste grondstof voor hormonen zijn aminozuren of eiwitten. Hormonen worden continu geneutraliseerd/geïnactiveerd, afgebroken en via de lever met de gal of via de nieren met de urine uitgescheiden. Vernieuwing door herhaalde aanmaak is derhalve noodzaak.
•    Hormonen beïnvloeden de stofwisseling via het op gang brengen, versnellen of afremmen van bepaalde processen in de doelwitorganen.
•    Hormonen zijn aanwezig in het bloed in uiterst kleine hoeveelheden en zijn vaak gebonden aan eiwitmoleculen met een transportfunctie.
•     Hormonen worden afgegeven als antwoord op een specifieke prikkel. Afhankelijk van elektrische stimulatie of concentratie van hormonen of andere stoffen in het bloed geeft een hormoonklier minder of meer hormoon af.
•     Kleine hoeveelheden hormoon kunnen opvallende veranderingen teweegbrengen in het fysiologisch functioneren, en tevens het gedrag van individuen ingrijpend beïnvloeden.


De goede werking van het endocrien systeem is afhankelijk van :

• de hoeveelheid circulerende hormonen (niet te hoog of niet te laag);
• de beschikbaarheid van grondstoffen voor aanmaak van hormonen;
• de beschikbaarheid van hulpstoffen;
• het aantal receptoren (aanlegplaatsen aan het oppervlak van de cel);
• de hoeveelheid "communicatiestof" geproduceerd in de doelcellen;
• de hoeveelheid metabolieten of hormonen gesynthetiseerd in de doelcellen;
• de goede werking van het "feedback-mechanisme" (proces van terugkoppeling met als functie de vereiste fractie hormoon in het bloed te bewerkstelligen).

Over alle processen heen blijft de hypofyse (zelf aangestuurd door de hypothalamus) ten aller tijde het meest prioritaire regelorgaan van de hormonenhuishouding; het is als het ware de hoofdcentrale van waar alle commando’s uit gaan naar alle overige hormonaalklieren die in het lichaam rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij de voortplanting via aanmaak en afscheiding van hormonale secreties. Het opstarten van een actieve hypofyse is via allerlei biochemische processen binnen het vogellichaam –in het bijzonder bij gouldamadines- afhankelijk van beschikbaarheid van eiwitten, zowel kwalitatief als kwantitatief. Eiwitten -en dus aminozuren- moeten voldoende (precies genoeg, vooral niet te veel, en in de juiste vormgeving) en gevarieerd aangeleverd worden (verschillende dierlijke en voor gouldamadines tegelijk vooral ook plantaardige eiwitbronnen). Voldoende vitaminen, mineralen (alweer precies genoeg, best van natuurlijke oorsprong, en zeker niet éénzijdig te veel), tesamen met een resem andere bio-activieve hulpstoffen zijn absolute noodzaak voor het aanmaken en transporteren van hormonen, zowel als voor overdracht van neurologische prikkels. Om bijvoorbeeld de hypofyse en de bijnieren juist te kunnen laten functioneren moet het lichaam continu beschikking hebben over voldoende pantotheenzuur (B5). De schildklier is daarentegen afhankelijk van voldoende jodium (en tyrosine = aminozuur). De daaropvolgende dejodering van thyroxine (= hormoon) is afhankelijk van voldoende selenium. Dan pas kan de lever zijn werk doen. De thymus en de mannelijke geslachts- hormonen kunnen niet fatsoenlijk functioneren zonder retinol (vit.A) en cobalamine (B12). De vrouwelijke geslachtsorganen hebben dan weer juist met name nicotinezuur (B3) en Pyridoxine (B6) nodig. Op haar beurt komt de alvleesklier sowieso in de problemen wanneer er niet voldoende ascorbinezuur (vit. C) dag aan dag wordt aangevoerd en continu beschikbaar is. Waarbij even later de driehoekswerking pancreas-bijnieren-hypofyse onder druk kan komen te staan in geval van onregelmatige aanvoer van vitamine C plus een aantal actief bufferende hulpstoffen van plantaardige oorsprong. Gevolgen van een scheefgetrokken driehoeksverhouding tussen pancreas, bijnieren en hypofyse leveren uiteindelijk vaak gouldamadines met ondermeer een voorbeschiktheid en aanleg voor suikerziekte en/of vetzucht, slepende rui of ruistop, of hoge tot zeer hoge stressgevoeligheid, of dik bloed, of hartstilstand, of afwijkend sociaal gedrag, of afwijkingen in voortplantingsbereidwilligheid, in nestzorg, in voedstergedrag etc.

Naast hulpstoffen onder de noemer "mineralen en vitamines", leveren plantaardige bronnen als grassen, onkruidplanten en zaadkiemen, tevens een waaier van andere bio-actieve componenten die cruciaal zijn voor een vlotte hormonaalwerking op termijn, wil men vrij blijven van afwijkingen in het voortplantingsgedrag van gouldamadines.
Afsluitend nog aan toe voegen dat klieren en organen geen van allen hun werk goed doen als ze niet voldoende magnesium, zink en tocoferol (vit.E) in onderling corresponderende hoeveelheden, tegelijkertijd in de buffers ter beschikking hebben.

Korte conclusie
De conclusie is aan diegenen die zich vandaag vogelkweker willen noemen.
Allen die vandaag blijven verkondigen “dat het gemakshalve volstaat om een kartonnen doos eivoer plus extra 'kweekvitamine' E te geven om goed te gaan kweken” (sic), begrijpen dat het gemak in dit geval de mens dient maar geenszins de vogels. Hormonale samenhang en stabiele kweekresultaten stoelen op “de juiste bouwstoffen en hulpstoffen, in de juiste corresponderende hoeveelheden, op de juiste ogenblikken”. Die “juiste corresponderende hoeveelheden op de juiste ogenblikken” zijn strikt verbonden met de klimatologische realiteit op het hok, zowel als strikt verbonden met de aangehouden kweekcycli op basis van optimale dag- en nachtlengtes. Elke gouldkweker weet dat de kortste dag in noordelijk Australië op jaarbasis 10 uur en 58 minuten beloopt. De langste dag van het jaar duurt in het Northern Territory 13 uur en 17 minuten. Praktijkafgeleiden op het hok dienen in deze zin altijd navenant te zijn. Op het Lievens-hok worden kweekdaglengtes gehandhaafd tussen 11,5 en 12,5 uur. Daar de nachten dus niet alleen vrij lang maar in winterse indoor-koudbroed uiteraard ook vrij “koel” dienen te zijn (in elk geval koeler dan aangehouden dagtemperaturen), worden er niet enkel vanzelfsprekende en natuurlijke aanpassingen voorzien in het voedingsmenu (wat de vogels voorgeschoteld krijgen), maar ook in het voedingsregime (wanneer ze specifieke voeding voorgeschoteld krijgen – met andere woorden is er dus “overdag-voeding” en daarnaast tevens “avondvoeding”)

Met andere woorden, voeding met “afwisseling in evenwicht” is noodzaak, met accenten waar en wanneer nodig. Pas dan kunnen stabiele kweekresultaten beoogd worden, over de jaren heen. Met daarbovenop een verlengde levensduur van de kweekvogels. Pas dan en alleen dan. Zeker wanneer het over gouldamadines gaat; gouldamadines die uitgesproken eiwitgevoelige vogels zijn. Commerciële vogelvoeding is daarbij op termijn nooit zaligmakend. Zoveel weet iedereen.

In de marge
"Ideale totaalvoeding" voor gouldamadines is nooit hetgeen wat commerciële spelers aan hun klanten voorstellen. Overigens is dat in praktijk niet of nauwelijks haalbaar. Commerciële vogelvoedingproducenten verschaffen aan liefhebbers op de eerste plaats “gemaksvoorzieningen”. De rest is voor de verantwoordelijkheid van de kweker. Ook al bestaan er vandaag mensen die verkondigen dat de voeding van de toekomst in een kunst-korreltje zit. "Volledige voeding" uit een pak of een zak, die in één klap alle specifieke behoeften over alle wisselende seizoenen dekt, bestaat niet. Overigens is het een quasi-onmogelijkheid, in praktijk vrijwel onhaalbaar, want "het zou onbetaalbaar worden".

Het is de kweker zelf die stapsgewijs dient te voorzien in de specifieke voedingsbehoeften eigen aan seizoen en situatie. In matigheid en regelmaat, met accenten waar en wanneer nodig. Met het oog op stabiele termijnresultaten. Lange-termijn-resultaten.

Ivan Lievens
0032 53 83 82 24

__________________________________________________________

maandag 3 januari 2011

Best wishes of prosperity for 2011
Beste wensen van voorspoed voor 2011
Meilleurs voeux de prospérité pour l'an 2011


Joyeux Noel et Bonnes Fêtes à toutes et à tous de nos amis-éleveurs.
Merry Christmas and a Happy New Year to all of our acquaintances...
Vrolijk kerstfeest en Gelukkig Nieuwjaar aan alle kennissen-fokkers

vrijdag 26 november 2010

Koudbroed op Vogelcafé....
enkel voor pinguins…? ?
Of koudbroed wel degelijk nuttige hefboom





Inleidend

Op  een Nederlands vogelforum met  een geheel eigen gespreks- en gedragscultuur,  regelmatig vanuit  2 maten en 2 gewichten meteen alles afhakkend wat even boven het maaiveld uitsteekt, werden zeer recent  nog , koudbroed-geïnteresseerden  bij het stellen van een vraag direct vanuit meerdere hoeken openlijk geridiculiseerd, initiatief daartoe genomen door de moderator van dienst :


“Als het dan toch in broedkooien moet, zou ik niet voor de koningspinguin gaan, deze is qua formaat dan te groot.”,
dixit Rob Kristel, alias moderator Vogelcafé.
Of bij dit soort uitlatingen alleen blote onwetendheid, hetzij andere drijfveren aan de basis liggen, zullen we ons nu niet over uitspreken. De essentie hier en nu is duidelijk : Desinformatie werkt negatief. Waarna hulp zoekende en hulp vragende liefhebbers zonder hulp blijven. Omdat dergelijke pogingen tot ridiculisering van bewezen werkzame systemen, niet enkel getuigen van kortzichtigheid, maar daarenboven een allesbehalve accuraat advies leveren. En derhalve meteen welwillende gouldliefhebbers de woestijn insturen. Na dergelijke desinformatie is amendering vanzelfsprekend, hierna als volgt :













Werkbaarheid en nut van verlaagde kweektemperaturen
• Vanuit haar oorsprong, afkomst en aard is ondermeer de gouldamadine als soort –nota bene na hormonale activering -dus bij broedsheid- van origine zeer bekwaam tot een immens grote stofwisselingsdynamiek voor eiwitvertering bij verlaagde omgevingstemperaturen tot ongeveer 10°C, terwijl tegelijk tevens de energietransferten naar en vanuit glycogeenreserve, plus daarnaast en terzelfdertijd ook omzetting van “makkelijke koolhydraten in overschot” naar trigliceriden-opslagvetten, optimaal worden gaande gehouden. Nota bene een bekwaamheid waar onder meer de kanarie en menige andere soort (na hormonale activering) wegens hun aard en afkomst niet eens kunnen aan tippen.

• Interessevragen naar haalbaarheid en werkzaamheid van koudbroedkweek met bepaalde tropensoorten zijn derhalve niet zonder grond en goede reden, wel integendeel. Op voorwaarde dat er (op ondermeer West-Europese hokken) deskundig wordt bijverwarmd in functie van evoluerende luchtvochtigheidscurves. Op West-Europese hokken leert de praktijk dat 's winterse bijverwarming overdag tussen minimaal 9°C en maximaal 14-15°C ruimschoots volstaat om een spontaan verloop van de hygrometrie op het hok in goede banen te leiden. Koudbroed -met milde verwarming in functie van luchtvochtigheidsverloop-, heeft in deze context voor bepaalde zaadetende tropensoorten tal van positieve meer-effecten, zowel van directe als indirecte aard. Op beide niveau's zijn het meer-effecten met een versterkende impact op gezondheid en weerstand van aldus gekweekte vogelpopulaties. De voordelen hieruit zijn meerderlei, bovendien generatie na generatie in onmiskenbare duidelijkheid groeiend.

• Tegelijk ook een waarschuwing : Gouldamadines uit warm gestookte pamperhokken hebben -qua lichaamsweerstand en immuniteitsrespons- doorgaans niet langer meer genoeg in huis om zich na overbrenging naar een koudbroed-omgeving, daar langer dan enkele weken met gestaag groeiende moeite te handhaven alvorens van hun stokken te vallen. Zelfs na uitvoerige acclimatisering slaagt het overgrote deel van warm-stook gouldamadines er niet in om het te redden op koudbroedhokken.

• Terwijl daarentegen op datzelfde moment de rest van de koudbroed-populatie dartel en vrolijk doorgaan met baltsen, grote "bolwerken" van nesten maken, grote nestgemiddelden realiseren en een uitermate plichtsbewust voedstergedrag demonstreren. Dergelijke koudbroedvogels zien, is op slag begrijpen. Zelfs alleen al lichaamsproporties en lichaamsvolume van dergelijke koudbroed-gouldamadines spreken boekdelen, zelfs op foto.

Want dat is nu precies de éénvoud van de zaak : vogels spreken altijd voor zich. Reeds vanaf de allereerste blik. Op het moment dat vogels voor zichzelf spreken, doet onwetendheid er meteen het zwijgen toe. Zonder uitzondering. Altijd.







Hokpraktijk beknopt :
Ergens eind november zit het gouldhok midden in de kweek :
Minimale nachttemperatuur op het hok : 6°C - 9°C
Minimale dagtemperatuur op het hok : 10°C - 11C
Maximale dagtemperatuur op het hok : 15°C
Gemiddelde dagtemperatuur op het hok : 11,5° - 13,5°C
Luchtvochtigheidsverloop overdag best tussen minimaal 57%-58% tot max.70-74%, 's nachts uiteraard iets hoger; gemiddelde hygrowaarden overdag grosso modo tussen 63% en 68%. Uitzonderlijke uitschieters tot 80-90% tijdens de nacht zijn tolereerbaar, zolang deze pieken bij het ochtendgloren telkens onmiddellijk in dalende lijn gaan, naar werkbare dagwaarden van 74% en minder.

Van prioritair belang :
•    Voeding : het ligt zo enorm voor de hand dat men het bijna zou vergeten te vermelden : jawel, in een blijvend werkbaar koudbroedmodel dient uiteraard het voedingsregime net wat voller bediend te worden, naar specifieke noden van gouldamadines. In praktijk vrij éénvoudig : gevoelig meer zogenaamde "zachte zetmelen", zoals ondermeer uit japanse millet, en daarbovenop een klein knabbeltje meer meervoudige vetstructuren waarin de gouldamadine op massale wijze nuttige hulpstoffen binnen het lichaam kan gaan opslaan voor gebruik wanneer nodig. Meer moet dat niet zijn.

•    Ervaring leert dat er vandaag in de handel helaas weinig "ideale zaadmengelingen" voor gouldamadines voorhanden zijn. Ondertussen is hier reeds de samenstelling te vinden van een top-zaadmengeling voor gouldamadines. Wie dit toepast, doet niet enkel zichzelf, maar vooral zijn vogels een groot plezier.

•    In een blijvend werkbaar koudbroedmodel behoort er tussen dag-nacht-temperaturen ALTIJD een minimaal verschil te zitten, in functie van de hygrowaarden. Met andere woorden behoort de lucht in het koudbroedhok 's nachts altijd af te koelen, in functie van een nachtelijk stijgende luchtvochtigheid. Tussen dag en nacht-hygrometrie behoort steeds een verloop van grosso modo 8-9% minimaal, en 15-20% maximaal te zitten, met gedurende de nacht een ondergrens van 60% luchtvochtigheid (dus 's nachts liefst iets hoger – wat niet altijd vanzelfsprekend is wanneer het buiten vriest).

•    Ook bij deze indoor kweeksystemen met verlaagde temperaturen kan het belang van een soepel evoluerend luchtvochtigheidsverloop met weliswaar begrensde maar niettemin toch voldoende verschillen tussen dag-nacht verloop, niet genoeg benadrukt worden. Handhaving van ééntonigheid in klimatologie met vrijwel gelijklopende dag- nacht-temperaturen, zoals vooral op warm gestookte hokken in uitgesproken negatieve mate, heeft uiteindelijk enkel een uitlogend, vervolgens afmattend en tenslotte vernietigend effect op de lichaamsimmuniteit van alle aanwezige vogels op warmstook-serrehokken. Waarbij even later vooral de bovenste luchtwegen sterk aan weerbaarheid moeten inboeten. En nog even later veelal "regelmatige ondersteuning met chemo" op dergelijke hokken niet meer dan "een doodnormale vereiste" wordt.

•    De mucociliaire klaring (=afvoer slijmgebonden afvalpartikels en micro-organismen in slijmvliesbekleding op binnenzijde luchtwegen) is een van de belangrijkste aspecifieke afweermechanismen van de onderste luchtwegen. Het bovenaan liggend gedeelte van de slijmvliesbekleding wordt door trilharen als op een roltrap voortgestuwd en afgevoerd, met inbegrip van afvalstoffen en eventueel aanwezige microbiële kiemen. De optimale viscositeit van deze mucus-gel-laag is hierbij allesbepalend voor de uiteindelijke effectiviteit van de roltrapbeweging. Wanneer deze bovenliggende gel-laag van de slijmbliesbekleding ten gevolge van een gekunstelde en onregelmatig evoluerende luchtvochtigheid aan soepelheid gaat inboeten (lees "te stug wordt" of "te ijl-waterig wordt"), komen de afweermechanismen van de luchtwegen in het gedrang. Op deze ogenblikken worden alle vogels op het hok een heel stuk vatbaarder voor zowel virale kiemen, als voor infecties van bacteriële en vooral van parasitaire aard, zoals al te vaak in overvloedige mate vastgesteld op warmstook-hokken. Zo is bijvoorbeeld luchtpijpmijt een fenomeen wat men zelden of nooit vaststelt op indoor-koudbroed hokken, maar daarentegen wel exponentieel veel vaker op warm gestookte hokken. Dat alleen al zegt genoeg.

Attentie: Hoe meer men ’s nachts in een kweekhok verwarmd, des te vlugger gaat de mucocilliare roltrapbeweging achteruit in effectiviteit, en verhoogt derhalve de infectiegevoeligheid. Nachtelijke kunstmatige luchtbevochtiging is bij dit gegeven geen "gezond" alternatief op termijn, om meerderlei redenen.


Koudbroed-kweekvogels spreken duidelijke taal :
                                              So happy hence productive we are

• Ook dit jaar zijn vrijwel alle poppen samen aan de leg gegaan (binnen de week). Heel het hok schiet samen uit de startblokken. Als prestatie veelzeggend genoeg.

• Gemiddelde legselgrootte doorheen het hok: +7 (net iets meer dan 7) Voor welke kweker is dat niet genoeg ..??

• Bevruchtingspercentages doorheen het hok gemiddeld op 92%. De vogels spreken duidelijke taal.

Conclusie
Alleen al om dergelijke gemiddelden zoals hierboven te kunnen halen, moet je als hormonaal actieve vogel bij verlaagde hoktemperaturen

1.     wél degelijk van oorsprong genetisch goed voorzien zijn en bovendien conditioneel goed in je vel zitten, en
2.     wél degelijk functioneel genoeg eiwit kunnen verwerken zonder dat je stofwisseling gaat blokkeren, en
3.  ondertussen ook nog op onfeilbare wijze de energiehuishouding in evenwicht houden.

Ga er maar een keer aan staan, het is niet aan elke zaadeter gegeven. Gouldamadines kunnen dit wel, op voorwaarde dat men spreekt over niet-gedegenereerde vogels. Dus sterke en weerbare vogels zoals ze op broeierige en serre-achtige warmstook-hokken per definitie nooit te vinden zijn.









Epiloog

Elke liefhebber weet vanaf hier en nu, op welke manier en in welke mate de soortsterkte bij gouldamadines bevorderd wordt door schrapping van nefaste termijngevolgen voortvloeiend uit klimatologische kunstmatigheid op warmgestookte hokken, met daarbij handhaving van verlaagde indoor-kweektemperaturen.

Vanuit onze achtergrond van ervaring met deze vogel is er de éénvoudige vaststelling dat de gouldamadine als soort van oorsprong anders is dan alle andere. Niet enkel qua uitzicht anders dan alle andere. Maar wel degelijk daaraan gekoppeld vooral anders qua genetisch potentieel. Niet alleen is de gouldamadine als soort (van oorsprong) genetisch perfect uitgerust is om zowel eiwitstofwisseling als energiebalans beide tegelijk bij verlaagde kweektemperaturen optimaal te handhaven, zolang er licht bijverwarmd wordt in functie van een verantwoord luchtvochtigheidsverloop. Wat meer is, elke hokpopulatie gouldamadines standvastig gekweekt in indoor-koudbroed, wordt er onmiskenbaar beter, gezonder en sterker van, generatie na generatie, op tal van vlakken.

Anderzijds is het omgekeerde evenzeer waar. Want mensenhanden brutaliseren al te vaak zonder scrupules via pampering in warmstook-hokken, met verzwakking als resultaat. Het spreekt vanzelf dat generaties lang bepamperde gouldamadines die door 's mensen kunstmatigheid verworden zijn tot weke kasplantjes, slechts over weinig lichaamsweerstand beschikken. Kasplantjes die derhalve zonder toepassing van lapmiddelen als anti-biotica-kuren, industriële chemo-kuren, industriële potjes-vitamine-kuren en aanverwante, uiteraard weinig kans maken om het bij verlaagde temperaturen lang uit te zingen, zeker wanneer geweten is dat deze vogels al kunstmatige ondersteuning behoeven op warmgestookte (en slecht geventileerde) pamperhokken. Qua weerstand en soortsterkte vertonen bepamperde gouldpopulaties nog slechts bitter weinig overéénkomsten met sterke, niet~gedegenereerde gouldamadine-populaties die nog over al hun bekwaamheden beschikken.

Om het een keertje met de woorden van KAOB-Limburger-en-wereldburger Guillaume Timmermans te zeggen :
"Van oorsprong bestaan er geen zwakke gouldamadines; daar zijn echter wel genoeg mensenhanden die gouldamadines voortdurend zwak maken."

Eénmaal zoveel begrepen, dan wordt de keuze echt éénvoudig te maken :
1. Wie wil dergelijke zwakke gouldamadines op zijn hok, samen met 3 potten en 2 flessen industriële medicamenten ? Wie gaat zich daar nog willen mee bezighouden ? Steek dan nu uw hand op.

2. Of, wie wil krachtige gouldamadines op het hok, zonder industriële apotheek ? Zegt u het maar, u kiest.
Zo simpel is het, zonder omwegen.
Omdat 9 van de 10 warmgestookte hokken de criteria van een evenwichtig gestemde klimatologie op meerdere vlakken zodanig hutseklutsen en kunstmatig scheeftrekken, dat ook het evenwicht binnenin de vogel op korte en middellange termijn ALTIJD negatief beïnvloed wordt. Bij aanvang in mindere, maar even later eerder in meerdere mate. Uiteindelijk leiden dergelijke onevenwichten in indoor-klimatologie op warmgestookte hokken 9 op 10 keer altijd tot soortverzwakking. Met verzwakte warme-hokken-populaties als gevolg. Het zijn slechts vaststellingen, gemaakt over meer dan 30 jaar, doorheen geheel West- en Zuid-Europa, en recenter ook in Oost-Europa.

Indoor koudbroed betekent dus meer dan het halveren van de energiefactuur voor het kweekhok. Koudbroedkweek bij verlaagde indoortemperaturen is in de eerste plaats een werkbaar alternatief voor het wegwerken van al te kunstmatige warmstook-onevenwichten in hokklimatologie. Vergroting van de soortsterkte is het dankbare resultaat.

Mvg

Ivan Lievens

PS :
Feedback steeds mondeling opvragen - mailpost ontvangen op 3 mailaccounts voor goulds geeft aan dat er veel zoekende gouldliefhebbers zijn, steeds met hun eigen noden en vragen, doch iedereen van schriftelijke reacties voorzien, is in praktijk onbegonnen werk - info mondeling opvragen, elk is op deze wijze even welkom, zonder onderscheid in persoon, goede bekenden zowel als nieuwkomers - een woordje uitleg is snel gegeven, en een kort  belletje leert meer dan 100 geschreven vellen. Mvg, Ivan Lievens







__________________________________________________________

zaterdag 30 oktober 2010

Karel ten Kate
Dé grote revelatie
op (inter)nationaal kampioenschap Elst 2010



Piepjonge pastelvogel met volle nekstructuren, ultiem bekroond
Met een piepjonge vogel als algemeen kampioen gekroond over alle categorieën, plus daar bovenop een 2e plaats in het algemeen klassement, dwingt "nieuwkomer" Karel ten Kate dit jaar de gevestigde waarden enkele bankjes naar beneden in de einduitslag van het (inter) nationaal kampioenschap "Elst 2010". Wie dacht dat daarmee alles gezegd is, mag zich schrap zetten. Want voor deze TT-editie in Elst heeft kalme Karel zelfs enkele van zijn beste vogels thuis gelaten, waaronder zijn Europese kampioen-Karlsruhe 2010. Met slechts 8 ingezonden vogels -u leest het goed : slechts acht- geeft Karel alle achtervolgers het nakijken. Ooit was er in Elst eens die exposant die in 2003 de top haalde met slechts 9 ingezonden vogels. Karel haalt nu hetzelfde, maar dan wel met nóg een TT-vogel minder. Nog straffere koek is dat. Belooft wat voor de komende jaren. Begrijpelijk dat Karel's telefoonlijn sinds Elst gloeiend staat.

Ook Gerritsen versterkt
Ook Hein Gerritsen maakt dit jaar een flinke sprong hogerop en belandt meteen in de top 5 van het algemeen klassement. Bovendien luidt het dat Gerritsen afgelopen maand augustus in Erpe-Mere nog “een paar aardige kweekvogels” voor extra versterking heeft aangeschaft. Wordt ook Gerritsen volgend jaar in Elst 2011 wellicht een kandidaat voor de top 3, die voor de rest van het peloton moeilijk te volgen blijkt ?
Het zal ons allerminst verbazen.
Tekst : Ivan Lievens
Tekstbewerking : Lester Lievens



Ivan Lievens
0032 (0)53 83 82 24

__________________________________________________________

woensdag 20 oktober 2010

Aanschaf van gouldamadines :
Goed begonnen = half gewonnen...of méér


Boerenwijsheid in een notedop
Het is een overbekend gezegde : Goed begonnen is half gewonnen. Is dat ook zo wanneer het specifiek over gouldamadines gaat...? Of is er meer...?








Vrij éénvoudig :

Zelf houden we er van wanneer we merken dat mensen zich voorafgaand breed geïnformeerd hebben omtrent ons hok, vooraleer contact te nemen. Waarom ? Omdat we dan meteen ook zekerheid hebben dat er van weerskanten over hetzelfde gepraat wordt. Onmiskenbaar een groot voordeel wanneer men weet welke indrukwekkende kenmerken typerend zijn voor Lievens gouldamadines, en hoe deze goulds zich verder positief onderscheiden van alle andere die er zijn.

Er is echter meer. Anders gezegd : daarbovenop is er nog ander soort voordeel voor elke geïnteresseerde die op een kweker toestapt om gouldamadines aan te schaffen. Want wie goed ingelicht naar een kweker toestapt, weet meteen ook welke kwaliteit hij van de aangeschafte kweekvogels mag verwachten.

Hierbij uiteraard van het grootste belang is op voorhand te weten of het hok sterke vogels huisvest, die voortkomen uit een natuurlijke aanpak.

Eens aangekomen op het hok, geeft men zijn ogen, neus en oren goed de kost. Gezonde vogels zitten zonder uitzondering altijd op een gezond hok; een gezond hok ruikt altijd fris en luchtig. Op een gezond hok is ventilatie prioritair zichtbaar en voelbaar. Gezonde vogels zitten zonder uitzondering strak in de veren, hebben heldere ogen en reine poten. Op een sterk hok treft men nooit duidelijke afwijkingen aan zoals kaalkoppen. Elk hok waar de eigenaar kaalkoppen als "normaal verschijnsel bij gouldamadines" gaat omschrijven, dient men best zo spoedig mogelijk achter zich te laten. Kaalkoppen zijn het ultieme symptoom van een zwak hok, welke verder ook de oorzaken daarvan zijn. Echt sterke gouldamadines zijn bovendien actieve maar tegelijk rustige vogels zonder nerveuze trekjes of schichtig vlieggedrag. Het zijn slechts enkele van punten die elke aanschaffer van goulds elke keer zal checken op het hok van aankoop.

Telkens wij op ons hok geïnteresseerde aankopers bewust zien rondkijken en de secundaire omgevingsaspecten checken waarin de vogels vertoeven, is dat meteen een geruststelling. Want pas dan willen we er van uitgaan dat de vogels die we afstaan, ook goed zullen terechtkomen, in de handen van een zorgzame aankoper.








Daarnaast uiteraard even vanzelfsprekend :

Uit 2 kleine speelgoedponies kan men nooit een breedgeschouderde Arabische volbloed kweken. Hetzelfde geldt voor gouldamadines :
• Wie smalle vogeltjes aanschaft, zal daaruit smalle vogeltjes kweken.

• Wie volformaat kweekvogels aanschaft, zal daaruit volformaat vogels kweken. Zo simpel is dat.

Vandaar is het bij aanschaf zonder meer verstandig om een vogel uit het eigen hok mee te nemen als referentiepunt en vergelijkingsmateriaal. Dergelijke direkte vergelijking ter plaatse geeft altijd meteen duidelijkheid inzake eventuele kwaliteitsverschillen. Bij aanschaf van gouldamadines is een goede voorbereiding in grote mate mede beslissend voor de resultaten achteraf.

De conclusie is vanzelfsprekend :
Inderdaad, wanneer het over gouldamadines gaat,
Goed begonnen is altijd meer dan half gewonnen.







Ivan Lievens
0032 53 83 82 24

__________________________________________________________